Kamer mag gerust tegen begrotingen stemmen
In dit artikel:
SGP en ChristenUnie stemden recent tegen de begroting voor ontwikkelingssamenwerking omdat zij willen dat Nederland weer vasthoudt aan de internationale norm van 0,7 procent van het bruto nationaal inkomen voor hulp aan de allerarmsten. GroenLinks-PvdA, SP en FVD onthielden zich bij de onderwijsbegroting uit protest tegen bezuinigingen. De Partij voor de Dieren wees een begroting af vanwege dierproeven.
Dergelijke tegenstemmen zijn niet ongebruikelijk: linkse partijen hebben in voorgaande decennia regelmatig (delen van) defensiebegrotingen verworpen, en in december 2024 stemde het CDA tegen landbouw- en asiel- en migratiebegrotingen. De ChristenUnie was toen ook kritisch over asiel en ontwikkelingssamenwerking; dit jaar trad zij samen met de SGP opnieuw in verzet tegen de ontwikkelingsbegroting.
Begrotingstechnisch leidt verzet van enkele fracties doorgaans niet tot problemen: zolang een meerderheid in Tweede en Eerste Kamer achter een begroting staat, mag de regering de uitgaven uitvoeren. Een volledige verwerping door een Kamer is zeldzaam — de Tweede Kamer keerde zich voor het laatst tegen een departementale begroting in 1920 (Marine), de Eerste Kamer deed dat in 2007.
Het parlementaire budgetrecht is een van de oudste bevoegdheden (grondwettelijk sinds 1848). Kamerleden mogen begrotingen verwerpen; dat dwingt verantwoordelijk bewindslieden alleen tot het opstellen van een nieuwe, politiek haalbare raming waarin ze rekening houden met de wensen van de Kamer. In de praktijk anticiperen ministers vaak op tegenstand en voeren zij gezamenlijk overleg met fracties (in Den Haag kortweg “gemeen”) om steun te vinden — zo werkt de controlefunctie van de volksvertegenwoordiging in de parlementaire democratie.